Een smalle antiekzilveren lijst van 22 millimeter is voldoende: De Marta-lijst trekt een koele, fijn gespikkelde lijn rond het schilderij, met een rode randing die doorschijnt vanuit de polimentlaag onder het bladmetaal, en een donkere, afgesleten buitenrand. Geen goud deze keer, en dat is met opzet - het zilver doet niets af aan de sfeer van de rivier en drukt het schilderij geen extra warmte op. Binnen deze lijst ligt Vétheuil, het kleine plaatsje aan de Seine waar Claude Monet meerdere jaren woonde en dat hij keer op keer schilderde. Het „Uitzicht op Vétheuil” uit 1881 kijkt vanaf de helling naar beneden: op de voorgrond een golvend veld met rode vlekjes, daarachter struikgewas, vervolgens het dorpje met zijn kerktoren tegen de krijtrotsen van het Seine-dal. Huizen en oevers lossen eerder op in licht en kleur dan dat Monet de architectuur nauwkeurig weergeeft - blauw, oker en groen flikkeren door elkaar, en pas op enige afstand ontstaat daaruit een zomerdag.
Voor de zachte overgangen van dit motief blijkt Leonardo, een gesatineerd doek, een gelukkige keuze te zijn. De glans blijft gedempt: als het licht schuin op het doek valt, verspreidt zich een zachte glans over de lucht en de lichte veldpartijen, zonder ooit over te gaan in harde reflecties - het flikkeren van de kleuren lijkt daardoor beweeglijk, bijna ademend. Over de randen van het spanraam loopt het motief zijdelings gespiegeld door, het veld loopt om de hoek door - een detail waar de blik graag even bij blijft hangen. Met zijn afmetingen van 60 x 48 cm hangt het werk aangenaam onopvallend aan de muur. En dat was precies waar het Monet in 1881, tijdens zijn laatste maanden in Véthéuil, om ging: niet de plek vastleggen, maar een bepaald moment aan de Seine - dat ene licht dat over de helling glijdt en er meteen weer anders uitziet.