Er zit drie centimeter wit tussen het gekleurde motief en de zwarte buitenrand, een duidelijke onderbreking voordat het oog het dichte vlechtwerk van lijnen, punten en gebogen vormen binnendringt. Ook het aan de zijkanten zwart omrande doek maakt deel uit van deze afbakening, zodat de compositie al een eigen afsluiting heeft voordat Friedegarde deze omringt. Op het doek Leonardo met een gesatineerd oppervlak blijven zowel de fijne schakeringen van de grijze beeldruimte als de grafische lijnen van Kandinsky duidelijk herkenbaar: Zwart trekt in bogen en scherpe diagonalen door het vlak, rood zet zware accenten, terwijl blauw, roze, groen en geelachtige delen daartussen opflakkeren. Wassily Kandinsky schildert „Im Grau“ in 1919, op een moment waarop de loskoppeling van de voorstelling in zijn werk al lang een feit is en kleur, vorm en ritme de eigenlijke rol overnemen. Het grijs fungeert daarbij geenszins als louter achtergrond; het opent een rustige, hier en daar bewolkte ruimte waarin de vormen elkaar ontmoeten, elkaar overlappen of van elkaar afstoten. Links verdicht het gebeuren zich tot een bijna knoestige zwerm van vormen, rechts krijgen afzonderlijke figuren meer ruimte, zonder daardoor eenduidig voorwerpachtig te worden, en door de hele compositie loopt een innerlijke beweging die nu eens aan muziek, dan weer aan een onoverzichtelijk gesprek doet denken.
Ik vind juist de witte rand bij dit motief sterk, omdat deze het vormenspel even wat afstand geeft en tegelijkertijd een zichtbare kleurovergang vormt tussen Kandinsky’s gebroken grijs en het diepe zwart van de lijst. Aan de bovenste hoeken is goed te zien hoe het koele grijs van het schilderij eerst het heldere doekwit en pas daarna overgaat in de donkere omlijsting, waardoor zelfs de blauwe en rode lijnen dicht bij de rand duidelijk zichtbaar blijven. Met afmetingen van 60 x 44 centimeter behoudt het werk een overzichtelijke breedte, maar de horizontaal geplaatste compositie kan haar vele bewegingsrichtingen ten volle benutten; een spieraam ondersteunt het doek, er ligt geen glas voor. Friedegarde trekt aan de buitenkant een zwarte lijn van slechts 15 millimeter breed en 14 millimeter hoog, rechtlijnig en smal genoeg om niet te concurreren met de vormen van Kandinsky. Haar zwart staat echter niet zonder verband naast het schilderij, want dezelfde donkerheid verschijnt binnenin steeds weer als contour, als driehoek, als boog of als compact vlak in het midden. Uiteindelijk blijft er een tegenstrijdigheid over die je bijblijft: de titel „Im Grau“ klinkt als stilte, terwijl het schilderij zelf vol beweging en spanning zit.