Het landschap is horizontaal gelaagd: onderaan een sneeuwveld, daarboven een bijna zwarte strook kaal struikgewas, daarachter de met sneeuw bedekte bergketen, bovenaan een bleke hemel. En dwars door deze starre stroken zweven twee vrouwen, die door niets worden gedragen - hun loshangende, roodbruine haar trekt als rook achter hen aan en verstrikt zich in het donkere gebladerte. Segantini schildert hier geen verhaal met een begin en een einde, maar een toestand: kou, gewichtloosheid, een zweven tussen slaap en straf. Het licht blijft gedempt, de kleuren blijven binnen grijs, beige en gebroken wit, alleen het haar en de huidskleuren vormen daar een contrast met warme tinten. Wie langer kijkt, ontdekt links in het donker een derde, half vervaagde gestalte - het schilderij geeft zijn figuren slechts aarzelend prijs.
Op het gesatineerde doek Leonardo, opgespannen in het formaat 68 x 39 cm zonder lijst, krijgt juist deze toestand een tastbare kant. Als de blik over de donkere strook struikgewas glijdt, openbaart zich daar een fijnkorrelig reliëf: de vele korte streepjes waarmee Segantini de takken heeft aangebracht, liggen als licht verhoogde puntjes en draadjes op het doek, terwijl de lucht daarboven vlak en rustig blijft. Aan de bovenrand van het schilderij ligt de structuur van het doek bloot onder het lichte grijs, en de gekerfde bergkammen lijken bijna ingekerfd in plaats van gedrukt. Het motief loopt netjes door langs de randen van het wigframe, het sneeuwveld loopt zijdelings door.
Zo hangt het schilderij als een plat vlak aan de muur, zonder glas, zonder passe-partout - en juist dat staat het goed, omdat er niets tussen het oog en het doek komt. Wat je aandacht trekt, zijn de haardunne, kronkelende strengen: ze blijven tot in de laatste lus herkenbaar, en je volgt ze bijna onwillekeurig vanaf het warme roodbruin van de figuren naar het zwarte gebladerte.