Zonder horizon en zonder open hemel rijst de tuin op als een dichtbegroeide muur van bloemen. Oranje bloemhoofdjes verzamelen zich rechts tot een groot veld, terwijl witte bloemen in het midden een losse verticale lijn vormen; daartussen zitten rode, paarse en blauwe stippen in het levendige groen. Klimt rangschikt deze overvloed niet volgens botanische nauwkeurigheid, maar volgens ritme en kleur. De blik vindt geen weg door de tuin, hij dwaalt van bloem naar bloem en verliest zich uiteindelijk in de donkerdere begroeiing van het bovenste deel van het schilderij. In 1905, tijdens Klimts Weense jaren, verschijnt de natuur hiermee minder als landschap dan als een vlakke compositie. Juist deze verwantschap met de ornamentkunst van de art nouveau geeft de boerentuin zijn eigenaardige rust: alles groeit, maar niets dringt buiten de rand van het beeld.
Bij dit werk brengt Leonardo het bijna vierkante motief aan op een gesatineerd doek van 48 x 49 cm. Mare heeft het met een houten lijst in champagnekleur ingelijst; een smalle gouden rand scheidt het schilderij direct van de lijst, want passe-partout en glas ontbreken. Wat bij het bekijken de aandacht trekt, is een kleine groep ronde rode bloemen links van het midden. Van dichtbij laat de afdruk zien hoe Klimt ze opbouwt met korte, cirkelvormige penseelstreken: in sommige bloemen blijft een lichte rand staan, andere verdichten zich tot donkerrood, en daartussen trekken groene en blauwe strepen verticaal door het gebladerte. De reproductie behoudt zelfs de onregelmatige contouren, zodat geen enkele bloem eruitziet als een louter kleurpunt. Een van die uitvoeringen waarbij de inspanning zichtbaar blijft.
Aan de onderrand staan witte margrieten naast paarse bloemen, waarvan de lichte insluitsels lijken op uitgespaarde plekken in de verflaag. Verder naar boven lost een enkele rode bloemkop bijna op in de blauwgroene achtergrond; alleen de donkere kern houdt de kleine vorm bijeen.