Dit is zo’n schilderij waarbij het even stil wordt in het atelier. Rechtsboven ligt een vioolboog dwars over de witte mouw van een engel, zo fijn dat hij nauwelijks breder is dan een draad van de stof eronder. Van daaruit dwaalt de blik naar het midden: een kind slaapt op de schoot van zijn moeder, het hoofd opzij gedraaid, de vuisten half geopend. Maria draagt een lichte sluier en een diepblauwe jurk, die over een stenen sokkel tot in het gras op de grond valt. Drie engelen staan vlak achter haar, met een viool en een mandoline, en spelen zo zacht dat niemand wakker wordt. De achtergrond blijft bijna zwart, alleen de vleugels vangen wat licht op. William-Adolphe Bouguereau schilderde deze scène in 1881, op het hoogtepunt van de Franse salonkunst. Een gladde huid, scherpe contouren, elke plooi op zijn plaats. Je zou het koel kunnen noemen. Ik zie vooral hoe rustig de groep is - en mijn blik blijft elke keer weer op de strijkstok hangen.
Het schilderij is klein, 20 x 29 cm, en dat past bij deze stilte. Ria, een smalle bronzen lijst, is aan de voorkant slechts 23 mm breed, maar steekt 41 mm uit de muur. Zo wordt het schilderij een kist met een eigen lichaam. Aan de voorkant loopt een band van reliëfbladeren, daartussen donkere patina, aan de uiteinden breekt koper door. Dat voel je met je duim. Het doek van Leonardo laat zijn weefsel openlijk zien: in het gezicht van het kind komt de weefstructuur naar voren door de huidtinten, tegen de zwarte achtergrond ligt het als een grof doek. De satijnglans blijft gedempt, er zit geen glas tussen. Op de klankkast van de viool herken je de druklaag als een flinterdunne huid over de stof; de houtnerf blijft zichtbaar. Hier heeft iemand een bijzondere smaak - en een goed oog voor de omlijsting. De rij bladeren eindigt bij de hoeken met een kleine verspringing, te zien linksonder, waar het blauw van de mantel tegen het brons aanligt. Dat stoort me niet. Het laat zien dat hier handen aan het werk zijn geweest.