Kleine gouden bijen kruipen over het donkerblauwe tapijt aan de onderkant van de afbeelding. Ze zijn piepklein, maar de afdruk geeft ze stuk voor stuk weer, met glanspunt en schaduw. De bij was het persoonlijke embleem van Napoleon, en hij staat hier dan ook: in volledige kroningspracht, met een gouden lauwerkrans, een wit ondergewaad en de zware, met hermelijn afgezette purperen mantel, die achter hem over de treden uitwaaiert. Met zijn rechterhand houdt hij de scepter vast, links op het kussen ligt de rijksappel, op de achtergrond glanst de rugleuning van de troon met de grote N. Baron François Gérard schilderde dit portret in 1804, het jaar van de keizerskroning. Gérard is een leerling van Jacques-Louis David en wordt de meest gevraagde portrettist van het Keizerrijk; half Europa laat zich door hem schilderen. Zijn Napoleon komt minder heroïsch en overdreven over dan bij sommige collega’s. Het gezicht is jong, ernstig, bijna nuchter. De hele pracht en praal hangt aan hem als een bewering die nog bewezen moet worden. Juist dat maakt het schilderij tot op de dag van vandaag interessant.
Bij dit schilderij loont het de moeite om naar beneden te kijken. De linkerschoen van Napoleon is een op zichzelf staande kleine borduurstudie: gouden ranken op een lichte zijden achtergrond, daarachter de dichte gouden franje van de mantelzoom, en de gesatineerde druk scheidt beide netjes van elkaar. Zelfs de hermelijnstaartjes in de witte vacht blijven als afzonderlijke donkere stippen herkenbaar, niets vervaagt. Bij een afmeting van 43 x 67 cm sta je automatisch dicht genoeg ervoor om deze zones daadwerkelijk te kunnen afspeuren - daar kun je in blijven hangen. Het doek zit in een gouden sierlijst met twee versierde randen rond een gladde, geborstelde gouden rand; door het ornament schijnt hier en daar een gedempte basiskleur door, waardoor de vergulding ouder lijkt dan ze is. Een motief met zoveel pracht en praal vraagt daar bijna om - een eenvoudige lijst zou hier verloren lijken. Samen vormt dit een gesloten Empire-werk aan de muur. Je ziet eraan dat het stamt uit de tijd waarin een generaal zich net tot keizer had uitgeroepen en de schilderkunst deze uitvinding met al het beschikbare goud moest bekrachtigen. Gérard klaart dat opmerkelijk koelbloedig af.