| Geboren | 1831 (Groningen) |
| Overleden | 1915 (Den Haag) |
| Nationaliteit | Nederland |
| Epochen | Haager Schule |
| Genre | Marinekunst, Landschaftsmalerei |
| Beroep | Kunstsammler, Maler, Panoramamaler, Radierer, Lithograf, Aquarellist, Zeichner |
| Familie | Huwelijkspartner: Sina Mesdag-van Houten |
| Leerling | Barbara Elisabeth van Houten |
| Lidmaatschappen | Haager Schule |
| Bekende werken | Panorama Mesdag (1881), Vorbereitungen zur Abfahrt (1876), In der Brandung (1879), Sonnenuntergang mit Krabbenfischern, Anlanden einer Fischerflotte (1897) |
| Musea | Cleveland Museum of Art, Art Institute of Chicago |
Tot 1904 had Scheveningen geen haven. De vissersboten van het dorp, platbodem-pinken, hadden die ook niet nodig. Na hun tocht trokken de mannen de houten rompen gewoon het strand op, de ankers staken in het natte zand en de vrouwen wachtten met manden op de vangst. Deze kust zonder kademuur werd de beeldwereld van Hendrik Willem Mesdag, de Nederlandse zeeschilder van de Haagse School. Dat juist hij de schilder van deze kust werd, behoort tot de onwaarschijnlijkere loopbanen, want hij kwam uit de wereld van de kasboeken.
Mesdag werd op 23 februari 1831 in Groningen geboren; zijn vader Klaas leidde daar de bank en effectenhandel Mesdag en Zonen, en de zoon werkte zestien jaar lang in deze zaak, tussen effecten en balansen. In 1856 trouwde hij met Sientje van Houten, de dochter van een Groningse houthandelaar. Toen haar vader in 1864 overleed, maakte de erfenis het echtpaar financieel onafhankelijk. Twee jaar later, op zijn vijfendertigste, verliet Mesdag de bank en ging hij in Brussel in de leer bij schilder Willem Roelofs. In de zomer van 1868 vond hij op het Noordzee-eiland Norderney zijn levensthema, de zee; in 1869 verhuisde het gezin naar Den Haag, dicht bij zee. Een jaar later, in 1870, stuurde de grotendeels onbekende schilder twee werken naar de Parijse Salon en won hij met een branding aan de Noordzee de gouden medaille. In 1871 overleed de enige zoon van het echtpaar, acht jaar oud; daarna begon ook Sientje te schilderen.
Zijn schilderijen bleven trouw aan dit gebied. In ‘Vissersboten in Brekende Golven, c.1875-85’ - zo noemt de catalogustitel de Scheveningse pinken - ligt de vloot met hoge masten en wapperende wimpels dicht opeen in het ondiepe water, op het zand liggen ankers en touwen, en links inspecteert een groep vrouwen de manden vol vis. In ‘Terugkeer van de Vissersvloot’ liggen twee zware boten in de oplichtende avondbranding, wadende mensen gaan hun tegemoet en meeuwen hangen in de rozig beschenen wolken. Het houten paneel ‘Vuurtoren in brekende golven’ toont de ruwe kant van de zee; een donkere toren staat alleen in het grijsbruine stormlicht en het schuim slaat wit tegen zijn gebinte. Dat dezelfde man ook portretten kon schilderen, bewijst het Rijksmuseum met een generaalsportret uit 1874; maar Mesdags naam behoorde aan de zee toe.
Eén maat maakt de omvang van deze schilderkunst tastbaar: in het origineel, dat in het Rijksmuseum in Amsterdam wordt bewaard, heeft het schilderij van de visserspinken een liggend formaat van 181 centimeter breed en 90 centimeter hoog, bijna twee meter aanrollende branding. Het is hetzelfde formaat dat de catalogus van Meisterdrucke bij het motief vermeldt, en het vertelt meer over Mesdags ambitie dan welk bijvoeglijk naamwoord ook - hij gaf de zee letterlijk de ruimte. Maar zijn grootste formaat moest nog komen.
In 1880 gaf een Belgische panoramamaatschappij hem opdracht voor een rondzicht over Scheveningen. Mesdag beklom het Seinpostduin, destijds het hoogste duin van Scheveningen, legde de eerste schets vast op een glazen cilinder en schilderde vervolgens samen met zijn vrouw Sientje en zijn collega's Théophile de Bock, George Hendrik Breitner en Bernard Blommers in vier maanden tijd een doek van 14,6 meter hoog en 114,5 meter in omtrek, het grootste schilderij van Nederland. Op 1 augustus 1881 werd het geopend; enkele weken later stond Vincent van Gogh erin en schreef hij zijn broer, vrij vertaald, dat het een werk was waarvoor men het diepste respect moest hebben, en dat het enige gebrek ervan was dat het geen gebrek had. Toen de exploitatiemaatschappij in 1886 failliet ging, kocht Mesdag zijn eigen reusachtige schilderij en droeg hij de aanhoudende verliezen zelf. Al in 1887 richtte hij naast zijn woonhuis een museum in voor de kunstcollectie die hij sinds 1866 samen met Sientje had opgebouwd; in 1903 schonk hij het huis, het museum en de collectie aan de Nederlandse staat. Sientje overleed in 1909; hij overleefde haar zes jaar en stierf op 10 juli 1915 in Den Haag. Uit zijn latere jaren dateert het avondtafereel ‘Zonsondergang in Scheveningen: een vloot vissersvaartuigen voor anker’ uit 1894. De boten liggen verspreid op een gladde zee, de zon breekt laag door een wolkenbank, het water draagt een gouden lichtpad, het werk van de dag is gedaan. Men zou hierin het beeld kunnen zien van een beroepsleven dat laat van wal stak en rustig voor anker ging.
Pagina 1 / 1
| Geboren | 1831 (Groningen) |
| Overleden | 1915 (Den Haag) |
| Nationaliteit | Nederland |
| Epochen | Haager Schule |
| Genre | Marinekunst, Landschaftsmalerei |
| Beroep | Kunstsammler, Maler, Panoramamaler, Radierer, Lithograf, Aquarellist, Zeichner |
| Familie | Huwelijkspartner: Sina Mesdag-van Houten |
| Leerling | Barbara Elisabeth van Houten |
| Lidmaatschappen | Haager Schule |
| Bekende werken | Panorama Mesdag (1881), Vorbereitungen zur Abfahrt (1876), In der Brandung (1879), Sonnenuntergang mit Krabbenfischern, Anlanden einer Fischerflotte (1897) |
| Musea | Cleveland Museum of Art, Art Institute of Chicago |
Tot 1904 had Scheveningen geen haven. De vissersboten van het dorp, platbodem-pinken, hadden die ook niet nodig. Na hun tocht trokken de mannen de houten rompen gewoon het strand op, de ankers staken in het natte zand en de vrouwen wachtten met manden op de vangst. Deze kust zonder kademuur werd de beeldwereld van Hendrik Willem Mesdag, de Nederlandse zeeschilder van de Haagse School. Dat juist hij de schilder van deze kust werd, behoort tot de onwaarschijnlijkere loopbanen, want hij kwam uit de wereld van de kasboeken.
Mesdag werd op 23 februari 1831 in Groningen geboren; zijn vader Klaas leidde daar de bank en effectenhandel Mesdag en Zonen, en de zoon werkte zestien jaar lang in deze zaak, tussen effecten en balansen. In 1856 trouwde hij met Sientje van Houten, de dochter van een Groningse houthandelaar. Toen haar vader in 1864 overleed, maakte de erfenis het echtpaar financieel onafhankelijk. Twee jaar later, op zijn vijfendertigste, verliet Mesdag de bank en ging hij in Brussel in de leer bij schilder Willem Roelofs. In de zomer van 1868 vond hij op het Noordzee-eiland Norderney zijn levensthema, de zee; in 1869 verhuisde het gezin naar Den Haag, dicht bij zee. Een jaar later, in 1870, stuurde de grotendeels onbekende schilder twee werken naar de Parijse Salon en won hij met een branding aan de Noordzee de gouden medaille. In 1871 overleed de enige zoon van het echtpaar, acht jaar oud; daarna begon ook Sientje te schilderen.
Zijn schilderijen bleven trouw aan dit gebied. In ‘Vissersboten in Brekende Golven, c.1875-85’ - zo noemt de catalogustitel de Scheveningse pinken - ligt de vloot met hoge masten en wapperende wimpels dicht opeen in het ondiepe water, op het zand liggen ankers en touwen, en links inspecteert een groep vrouwen de manden vol vis. In ‘Terugkeer van de Vissersvloot’ liggen twee zware boten in de oplichtende avondbranding, wadende mensen gaan hun tegemoet en meeuwen hangen in de rozig beschenen wolken. Het houten paneel ‘Vuurtoren in brekende golven’ toont de ruwe kant van de zee; een donkere toren staat alleen in het grijsbruine stormlicht en het schuim slaat wit tegen zijn gebinte. Dat dezelfde man ook portretten kon schilderen, bewijst het Rijksmuseum met een generaalsportret uit 1874; maar Mesdags naam behoorde aan de zee toe.
Eén maat maakt de omvang van deze schilderkunst tastbaar: in het origineel, dat in het Rijksmuseum in Amsterdam wordt bewaard, heeft het schilderij van de visserspinken een liggend formaat van 181 centimeter breed en 90 centimeter hoog, bijna twee meter aanrollende branding. Het is hetzelfde formaat dat de catalogus van Meisterdrucke bij het motief vermeldt, en het vertelt meer over Mesdags ambitie dan welk bijvoeglijk naamwoord ook - hij gaf de zee letterlijk de ruimte. Maar zijn grootste formaat moest nog komen.
In 1880 gaf een Belgische panoramamaatschappij hem opdracht voor een rondzicht over Scheveningen. Mesdag beklom het Seinpostduin, destijds het hoogste duin van Scheveningen, legde de eerste schets vast op een glazen cilinder en schilderde vervolgens samen met zijn vrouw Sientje en zijn collega's Théophile de Bock, George Hendrik Breitner en Bernard Blommers in vier maanden tijd een doek van 14,6 meter hoog en 114,5 meter in omtrek, het grootste schilderij van Nederland. Op 1 augustus 1881 werd het geopend; enkele weken later stond Vincent van Gogh erin en schreef hij zijn broer, vrij vertaald, dat het een werk was waarvoor men het diepste respect moest hebben, en dat het enige gebrek ervan was dat het geen gebrek had. Toen de exploitatiemaatschappij in 1886 failliet ging, kocht Mesdag zijn eigen reusachtige schilderij en droeg hij de aanhoudende verliezen zelf. Al in 1887 richtte hij naast zijn woonhuis een museum in voor de kunstcollectie die hij sinds 1866 samen met Sientje had opgebouwd; in 1903 schonk hij het huis, het museum en de collectie aan de Nederlandse staat. Sientje overleed in 1909; hij overleefde haar zes jaar en stierf op 10 juli 1915 in Den Haag. Uit zijn latere jaren dateert het avondtafereel ‘Zonsondergang in Scheveningen: een vloot vissersvaartuigen voor anker’ uit 1894. De boten liggen verspreid op een gladde zee, de zon breekt laag door een wolkenbank, het water draagt een gouden lichtpad, het werk van de dag is gedaan. Men zou hierin het beeld kunnen zien van een beroepsleven dat laat van wal stak en rustig voor anker ging.