| Geboren | 10 juni 1880 (Chatou) |
| Overleden | 11 september 1954 (Garches) op 74-jarige leeftijd |
| Nationaliteit | Frankrijk |
| Epochen | Fauvisme, Kubisme |
| Genre | landschap, portret, stilleven, dierenschilderkunst, genreschilderkunst, historieschilderkunst, naakt, religieuze kunst |
| Beroep | kunstschilder, beeldhouwer, graveur, scenograaf, illustrator, sieraadontwerper, fotograaf, graficus, tekenaar, ontwerper, lithograaf, aquarellist, houtsnijder, pastellist, kunstverzamelaar |
| Familie | Vader: Louis Derain Huwelijkspartner: Alice Derain Kind: André-Charlemagne Knaublich |
| Leerling | Yohanan Simon |
| Beïnvloed door | Georges Seurat, Paul Gauguin, Maurice de Vlaminck |
| Lidmaatschappen | Comité national de l'estampe |
| Bekende werken | Mountains at Collioure (1905), Woman in a Chemise (1906), The Golden Age (1905), Big Ben (1906), The Port of Collioure (1905) |
Andre Derain kwam in de zomer van 1906 naar L'Estaque, een kustplaats bij Marseille die Cezanne voor hem had geschilderd. De jonge Franse schilder trof er pijnbomen, muren en lichte wegen aan en schilderde ze alsof iemand de zon dichter bij de aarde had gebracht. In ‘De bochtige weg, L'Estaque’ buigt een weg tussen bomen door waarvan de stammen oranjerood gloeien; de kruinen erboven zijn blauw, groen en geel, de grond licht roze op, en tussen de stammen dragen kleine figuren hun lasten voorbij. Ook ‘Drie bomen,L'Estaque’ ontstond in deze maanden, drie gebogen stammen voor een okergele helling, daarachter een groen huis, en op de muur zit een piepkleine gestalte in het rood.
Derain groeide elders op, in Chatou aan de Seine ten westen van Parijs; daar werd hij in juni 1880 geboren. Op zijn achttiende bezocht hij in Parijs de Academie Carriere en leerde hij Henri Matisse kennen; in 1900 kwam daar Maurice de Vlaminck bij, met wie hij een atelier deelde op een eiland in de Seine bij Chatou. Samen schilderden ze de oevers van het eiland, later werden ze de School van Chatou genoemd. Van 1901 tot 1904 onderbrak de militaire dienst zijn schilderwerk. In de zomer van 1905 werkte Derain met Matisse in Collioure aan de Middellandse Zee, en in de herfst hingen de nieuwe schilderijen in zaal VII van de Parijse Herfstsalon; midden tussen de felle doeken stond de brave classicistische kinderbuste van een beeldhouwer. De criticus Louis Vauxcelles spotte dat dit een Donatello tussen wilde dieren was: de buste een stukje brave renaissance, de schilders eromheen les fauves, de wilde dieren. Uit de spot ontstond de naam van een stijl, en Derain werd samen met Matisse een van de grondleggers van het fauvisme. In ‘De dans’ uit 1906 dansen gestalten in rood, oker en geringd blauw voor een stralend gele achtergrond, een groene slang kronkelt door het struikgewas, een bonte vogel slaat met zijn vleugels; de kleur volgt hier alleen het schilderij en zijn eigen gloed.
Het nieuws over het nieuwe kleurenvuur deed de ronde. De kunsthandelaar Ambroise Vollard had gezien hoe goed Monets Londense schilderijen van de Theems verkochten en stuurde Derain daarom in 1906 en 1907 driemaal naar de overkant van het Kanaal. De schilder bracht van deze reizen dertig schilderijen bijeen, en Vollard kocht de hele reeks. In ‘De Theems en de Tower Bridge; La Tamise et Tower Bridge’ uit 1907 ligt de rivier als een groen gestippeld vlak in het licht, langs de oever verdringen zich schuiten met rode rompen, een eenzame roeier trekt zijn spoor, en achteraan staat de brug blauw tegen een hemel van geel en roze, zo feestelijk alsof de stad de dag viert.
Met schilders is het als met tuinen; het ene bloeit in één keer op en roept over de schutting, het andere groeit stilletjes door en laat pas na jaren zien wat erin schuilt. Bij Derain staan beide soorten in één oeuvre, en wie zijn schilderijen bij Meisterdrucke naast elkaar bekijkt, merkt twee heel verschillende volumes op. Een fauvistisch schilderij uit 1906 beheerst een muur, zoveel kracht schuilt er in de zuivere kleuren. De late landschappen en stillevens zijn daarentegen stille buren, vaste planten onder zonnebloemen, die hun tijd nemen en langdurig doorwerken.
De weg naar deze stille schilderijen voerde via een breuk. Van 1914 tot 1919 was Derain soldaat in de Eerste Wereldoorlog; daarna liet hij de wilde kleuren achter zich, schilderde klassiek en streng en gold in de jaren twintig voor velen als de belangrijkste schilder van Frankrijk. In 1919 verzorgde hij voor Sergej Diaghilevs beroemde balletgezelschap, de Ballets Russes, de vormgeving van het ballet Boutique fantasque, de betoverende winkel; de Londense première werd een triomf en leidde tot meer opdrachten voor het toneel. Met de jaren groeide de rust in zijn schilderijen; ‘Rozen in een vaas’ uit 1932 spreekt al deze stillere taal. In 1935 kocht Derain een landgoed in Chambourcy ten westen van Parijs, liet de begane grond tot atelier verbouwen en werkte 's zomers in de oranjerie van de tuin. Tijdens de oorlogsjaren schilderde hij tuinen en stadsgezichten van Donnemarie-en-Montois, een provinciestadje ten zuidoosten van Parijs; een van deze motieven heet in onze catalogus ‘Tuin bij Ponnermaire en Montois, ca.1940-45 (olieverf op doek)’, met een spelfout in de plaatsnaam. In 1941 nam Derain deel aan een door de Duitse bezetters georganiseerde kunstenaarsreis naar Berlijn; na de bevrijding werd hem dit als collaboratie aangerekend en meden vroegere medestanders hem.
In 1954 werd Derain in Garches bij Parijs door een voertuig aangereden en overleed hij in september aan de gevolgen; een ooginfectie had hem het jaar daarvoor al verzwakt en daarvan was hij nooit helemaal hersteld. Bijna twintig jaar had hij toen in Chambourcy gewoond, op een landgoed met de naam La Roseraie, in het Nederlands Rozentuin. Daar ontstonden de stillevens en landschappen van zijn late jaren, stille schilderijen van een kunstenaar die ooit tot de wilde dieren was gerekend.
Pagina 1 / 5
| Geboren | 10 juni 1880 (Chatou) |
| Overleden | 11 september 1954 (Garches) op 74-jarige leeftijd |
| Nationaliteit | Frankrijk |
| Epochen | Fauvisme, Kubisme |
| Genre | landschap, portret, stilleven, dierenschilderkunst, genreschilderkunst, historieschilderkunst, naakt, religieuze kunst |
| Beroep | kunstschilder, beeldhouwer, graveur, scenograaf, illustrator, sieraadontwerper, fotograaf, graficus, tekenaar, ontwerper, lithograaf, aquarellist, houtsnijder, pastellist, kunstverzamelaar |
| Familie | Vader: Louis Derain Huwelijkspartner: Alice Derain Kind: André-Charlemagne Knaublich |
| Leerling | Yohanan Simon |
| Beïnvloed door | Georges Seurat, Paul Gauguin, Maurice de Vlaminck |
| Lidmaatschappen | Comité national de l'estampe |
| Bekende werken | Mountains at Collioure (1905), Woman in a Chemise (1906), The Golden Age (1905), Big Ben (1906), The Port of Collioure (1905) |
Andre Derain kwam in de zomer van 1906 naar L'Estaque, een kustplaats bij Marseille die Cezanne voor hem had geschilderd. De jonge Franse schilder trof er pijnbomen, muren en lichte wegen aan en schilderde ze alsof iemand de zon dichter bij de aarde had gebracht. In ‘De bochtige weg, L'Estaque’ buigt een weg tussen bomen door waarvan de stammen oranjerood gloeien; de kruinen erboven zijn blauw, groen en geel, de grond licht roze op, en tussen de stammen dragen kleine figuren hun lasten voorbij. Ook ‘Drie bomen,L'Estaque’ ontstond in deze maanden, drie gebogen stammen voor een okergele helling, daarachter een groen huis, en op de muur zit een piepkleine gestalte in het rood.
Derain groeide elders op, in Chatou aan de Seine ten westen van Parijs; daar werd hij in juni 1880 geboren. Op zijn achttiende bezocht hij in Parijs de Academie Carriere en leerde hij Henri Matisse kennen; in 1900 kwam daar Maurice de Vlaminck bij, met wie hij een atelier deelde op een eiland in de Seine bij Chatou. Samen schilderden ze de oevers van het eiland, later werden ze de School van Chatou genoemd. Van 1901 tot 1904 onderbrak de militaire dienst zijn schilderwerk. In de zomer van 1905 werkte Derain met Matisse in Collioure aan de Middellandse Zee, en in de herfst hingen de nieuwe schilderijen in zaal VII van de Parijse Herfstsalon; midden tussen de felle doeken stond de brave classicistische kinderbuste van een beeldhouwer. De criticus Louis Vauxcelles spotte dat dit een Donatello tussen wilde dieren was: de buste een stukje brave renaissance, de schilders eromheen les fauves, de wilde dieren. Uit de spot ontstond de naam van een stijl, en Derain werd samen met Matisse een van de grondleggers van het fauvisme. In ‘De dans’ uit 1906 dansen gestalten in rood, oker en geringd blauw voor een stralend gele achtergrond, een groene slang kronkelt door het struikgewas, een bonte vogel slaat met zijn vleugels; de kleur volgt hier alleen het schilderij en zijn eigen gloed.
Het nieuws over het nieuwe kleurenvuur deed de ronde. De kunsthandelaar Ambroise Vollard had gezien hoe goed Monets Londense schilderijen van de Theems verkochten en stuurde Derain daarom in 1906 en 1907 driemaal naar de overkant van het Kanaal. De schilder bracht van deze reizen dertig schilderijen bijeen, en Vollard kocht de hele reeks. In ‘De Theems en de Tower Bridge; La Tamise et Tower Bridge’ uit 1907 ligt de rivier als een groen gestippeld vlak in het licht, langs de oever verdringen zich schuiten met rode rompen, een eenzame roeier trekt zijn spoor, en achteraan staat de brug blauw tegen een hemel van geel en roze, zo feestelijk alsof de stad de dag viert.
Met schilders is het als met tuinen; het ene bloeit in één keer op en roept over de schutting, het andere groeit stilletjes door en laat pas na jaren zien wat erin schuilt. Bij Derain staan beide soorten in één oeuvre, en wie zijn schilderijen bij Meisterdrucke naast elkaar bekijkt, merkt twee heel verschillende volumes op. Een fauvistisch schilderij uit 1906 beheerst een muur, zoveel kracht schuilt er in de zuivere kleuren. De late landschappen en stillevens zijn daarentegen stille buren, vaste planten onder zonnebloemen, die hun tijd nemen en langdurig doorwerken.
De weg naar deze stille schilderijen voerde via een breuk. Van 1914 tot 1919 was Derain soldaat in de Eerste Wereldoorlog; daarna liet hij de wilde kleuren achter zich, schilderde klassiek en streng en gold in de jaren twintig voor velen als de belangrijkste schilder van Frankrijk. In 1919 verzorgde hij voor Sergej Diaghilevs beroemde balletgezelschap, de Ballets Russes, de vormgeving van het ballet Boutique fantasque, de betoverende winkel; de Londense première werd een triomf en leidde tot meer opdrachten voor het toneel. Met de jaren groeide de rust in zijn schilderijen; ‘Rozen in een vaas’ uit 1932 spreekt al deze stillere taal. In 1935 kocht Derain een landgoed in Chambourcy ten westen van Parijs, liet de begane grond tot atelier verbouwen en werkte 's zomers in de oranjerie van de tuin. Tijdens de oorlogsjaren schilderde hij tuinen en stadsgezichten van Donnemarie-en-Montois, een provinciestadje ten zuidoosten van Parijs; een van deze motieven heet in onze catalogus ‘Tuin bij Ponnermaire en Montois, ca.1940-45 (olieverf op doek)’, met een spelfout in de plaatsnaam. In 1941 nam Derain deel aan een door de Duitse bezetters georganiseerde kunstenaarsreis naar Berlijn; na de bevrijding werd hem dit als collaboratie aangerekend en meden vroegere medestanders hem.
In 1954 werd Derain in Garches bij Parijs door een voertuig aangereden en overleed hij in september aan de gevolgen; een ooginfectie had hem het jaar daarvoor al verzwakt en daarvan was hij nooit helemaal hersteld. Bijna twintig jaar had hij toen in Chambourcy gewoond, op een landgoed met de naam La Roseraie, in het Nederlands Rozentuin. Daar ontstonden de stillevens en landschappen van zijn late jaren, stille schilderijen van een kunstenaar die ooit tot de wilde dieren was gerekend.